Miniwaterlijnmodellen: van militair gebruik tot verzamelobject

 

Alan Lemmers, Instituut voor Maritieme Historie

 

De mini-waterlijnmodellen vormen een aparte categorie scheepsmodellen, die zich in menig opzicht onderscheidt van andere modelcategorieën. De ontstaansgeschiedenis van het minischeepsmodel heeft zich voltrokken in een spanningsveld tussen speelgoed, promotiemateriaal en functioneel militair gebruik, waarbij tactiek en scheepsherkenning een belangrijke rol hebben gespeeld. Dit alles maakt het verhaal nogal complex, maar deze rijke geschiedenis is juist een van de aantrekkingskrachten voor de hedendaagse verzamelaar.

 

Tinnen soldaatjes

Als speelgoed werden tinnen en loden figuren al door de Romeinen gemaakt en ook uit de Middeleeuwen zijn enkele tinnen soldaatjes bekend. Het voornaamste productiecentrum vanaf de vijftiende eeuw was de Duitse stad Nürnberg, waar zich de typische platte gietfiguur ontwikkelde. Ook in Nederland werden eind zestiende, begin zeventiende eeuw loden en tinnen figuren in serie geproduceerd. In de zestiende eeuw was het verzamelen van tin- en zilverfiguren mode onder notabelen en edellieden. Keizer Maximiliaan (1459-1519), Lodewijk XIII en Lodewijk XIV, en later Tsaar Nicolaas I zijn vorsten waarvan bekend is dat zij als kind met miniatuurlegers hebben gespeeld. Tsaar Peter III liet in Sint Petersburg zelfs een speciaal slot bouwen met voldoende ruimte voor zijn duizenden soldaatjes, waarmee hij grote veldslagen naspeelde.

De oudst bekende gietsels van oorlogsschepen dateren uit de zestiende eeuw. In de tweede helft van de achttiende eeuw nam de massaproductie van tinnen speelgoed een hoge vlucht en uit de negentiende eeuw zijn veel figuren bewaard. Bijna alles werd in tin of lood uitgebeeld, maar schepen zijn vrij zeldzaam.

Aan het eind van de negentiende eeuw haakten Europese speelgoedfabrikanten met de productie van platte loden of tinnen gietsels van moderne oorlogsschepen (en ook blikken speelgoed) handig in op de groeiende belangstelling voor de technische vooruitgang.

Series met betrekking tot belangrijke militaire evenementen zoals de Krim-oorlog (1854), de Spaans-Amerikaanse oorlog (1898), de Turks-Italiaanse oorlog (1911) en de slag bij Jutland (1916), vonden tevens gretig aftrek. De ene fabrikant plaatste de scheepjes op voetjes, de ander leverde waterlijnmodelletjes, een enkele voerde ze zelfs uit met wieltjes ter wille van de beweegbaarheid. Uitvoering en schaal liepen flink uiteen en de detaillering kwam slechts op de tweede plaats: het ging immers om het spel. Deze meest platte voorstellingen zijn in het begin van de twintigste eeuw door de driedimensionele schaal 1:1200/1250 modellen verdrongen.

 

‘Naval War Games’

Het tinnen speelgoed werd echter niet alleen voor speldoeleinden gebruikt. Het is bekend dat Willem Lodewijk van Nassau en Prins Maurits aan het eind van de zestiende eeuw met behulp van tinnen of loden figuurtjes hun tactische hervormingen hebben uitgewerkt. Toch schijnt het simuleren van veldslagen op schaalniveau voor de studie en instructie van tactische probleemstellingen pas aan het begin van de negentiende eeuw echt in zwang te zijn gekomen en wel op de Pruisische militaire academie. In Nederland werden dergelijke spelen vanaf de oprichting van de Koninklijke Militaire Academie (1828) in de zogenaamde ‘zandbak’ toegepast.

Bij de marine is ‘war gaming’ pas veel later doorgedrongen. Hoewel metalen speelgoedscheepjes al in de zestiende eeuw voorkwamen, werden deze blijkbaar niet voor tactische studie of onderricht gebruikt. De eerste vermelding van het gebruik van miniatuurmodellen als krijgswetenschappelijk hulpmiddel dateert uit het laatste kwart van de achttiende eeuw en betreft een ander type modelletjes. In deze periode deden zich drastische wijzigingen in het tactisch denken voor. Vanaf ca. 1650 was het ‘gevecht in de linie’ de standaard in de zeetactiek geweest. Nu echter verscheen een groeiend aantal studies waarin gepoogd werd alternatieven voor het gevecht in de linie te formuleren. Met zijn Grondbeginselen der zeetacqticq van 1782 was de Nederlandse marineofficier Jan Hendrik van Kinsbergen één van de eersten die beweerde ‘que d’attaquer toujours en ligne n’est ni le bon ni le vrai moyen de combattre par mer.’

Met dezelfde boodschap liet de Schot John Clerk of Eldin (1728-1812) in datzelfde jaar zijn Essay on Naval Tactics; Systematical and Historical verschijnen. Bij de uitwerking van zijn verhandeling schijnt Clerk zich bediend te hebben van zelfgemaakte miniatuur scheepsmodellen. Ook droeg hij modelletjes met zich mee waarmee hij tactische situaties op  de tafel kon simuleren als zich een discussie voordeed. Hoewel zelf geen marineman heeft Clerk  een enorme invloed op zijn tijdgenoten gehad, met name op Nelson, wiens zege bij Trafalgar (1805) een voorbeeld van de veranderende tactische inzichten was. Hoewel zelf geen marineman heeft Clerk een enorme invloed op zijn tijdgenoten gehad, met name op Nelson, wiens zege bij Trafalgar (1805) een voorbeeld van de veranderende tactische inzichten was. Nelsons tegenstander Napoleon was evenmin een voorstander van het gevecht in de linie en Napoleon schijnt ook miniatuur scheepsmodellen bij de voorbereiding van tactische operaties op zee te hebben gebruikt. Napoleon is er echter geen beter zeestrateeg op geworden. Vermeldingen van modellengebruik als door Clerk en Napoleon blijven echter uitzonderingen. Een ander voorbeeld betreft de slag bij Lissa (1866) tussen de Italiaanse en Oostenrijkse marine, die na afloop op kleine schaal schijnt te zijn nagespeeld en geanalyseerd.

In de eerste jaargang van Brassey’s The Naval Annual (1886) bevindt zich achterin een advertentie van The Duel: a Naval War Game, ontworpen door de bekende Britse admiraal Philip H. Colomb. Of er modelletjes bij dit spel werden gebruikt en of Colomb er mee enig succes heeft gehad, is niet bekend. Dat weten we wel van het war game van 1898 van Fred T. Jane (1870-1916). Volgens naval war game-specialist Barry J. Carter zou Jane in Portsmouth met een aantal marineofficieren enkele war games georganiseerd hebben, waarna hij inzag dat er voor het spel mogelijk een markt was. Moriani’s verhaal dat Jane docent krijgsgeschiedenis en maritieme strategie aan het Britse War College zou zijn geweest en scheepsmodellen bij zijn lessen gebruikte, wordt door zijn biografen niet bevestigd. Jane was romanschrijver, maritiem historicus en illustrator en heeft, voor zo ver bekend, nooit een officiële aanstelling gehad. Wel was hij oprichter van het jaarboek Jane’s Fighting Ships, waarover later meer.

Jane was kind aan huis bij de Britse Marine, maar ook een graag geziene gast bij de Russische, Duitse en Japanse marine. Volgens de uitvinder was het Jane Naval War Game al in 1901 ‘officially adopted in nearly every navy in the world’. Het doel van het spel was de voorbereiding van marineofficieren op gevechtssituaties op zee door een ‘close simulation to real warfare’. Er werd rekening gehouden met factoren als brandstofverbruik, het weer, onverwachte averij, misleiding etc. Door het spel werden de officieren onder meer getraind in de directe herkenning en inschatting van de sterkte en zwakheden van vijandelijke schepen. De werkelijkheidswaarde van het spel werd derhalve in belangrijke mate bepaald door de modellen, die echt bestaande schepen moesten voorstellen. Bij het spel werden scheepsmodelletjes geleverd.

Jane’s modellen werden op zeer kleine schaal uitgevoerd (1:1800-2000, een benadering van de schaal gebruikt in zijn boeken). De oudste zijn van hout, kurk en spelden en slechts ruw afgewerkt. Omstreeks 1905 zag Jane in dat er voor de scheepsmodelletjes apart ook een markt was bij het grote publiek en liet hij modellen van metaal gieten door diverse fabrikanten van tinnen soldaatjes, zoals de Brighton Manufactoring Company (BMC). Zij werden op de markt gebracht onder de merknaam Jane’s Models, hoewel zijn licentiehouders al snel ook modellen onder hun eigen naam uitbrachten.

In 1912 verschenen de definitieve spelregels van Jane’s Naval War Game, waarbij de uitgevers Sampson Low, Marston & Co een uitgebreide reeks oorlogsschepen leverden. Voor 40 pond kon men haast alle oorlogsschepen ter wereld krijgen. Er waren ook koopvaardijschepen in het assortiment opgenomen. Van deze metalen Jane-modellen zijn nog maar enkele zeer zeldzame bewaard. Deze modelletjes hebben achterop een vlaggehoudertje,

waarin een vlaggetje kon worden geplaatst met daarop een indicatie van de maximum snelheid van het schip.

Het ‘naval war game’ heeft daarna een lange traditie gekend als tactisch en strategisch oefenspel. Het werd gespeeld met modelletjes meest op zeer kleine schaal (1:1800- 2000) die vrij grof waren afgewerkt, maar in toenemende mate ook met de mooiere modellen van schaal 1:1200/1250 waarmee de markt vanaf de jaren twintig en dertig werden overspoeld. De Amerikaanse marine heeft vanaf 1922 geprobeerd door middel van zeer realistische war games alle mogelijke aspecten van een oorlog in de Stille Zuidzee te voorspellen – in 1950 zei admiraal Nimitz dat hierbij haast alles wat de Japanners tussen 1941 en 1945 uitprobeerden al aan de orde was geweest, behalve de kamikaze-acties. De aanval op Pearl Harbour werd door de Japanse marinestaf in 1941 met behulp van een war game voorbereid. Een war game van vier dagen aan boord van het Japanse slagschip Yamato in 1942 moest het aanvalsplan op de Midway-eilanden beproeven. De Japanners hadden echter bepaalde tactische manoeuvres niet in het spel meegerekend en een van de admiraals verwierp herhaaldelijk ongunstige beslissingen van de scheidsrechters – de Japanse aanval werd een fiasco.

 

Minder bekend is het gebruik van schaal 1:1200/1250 modellen bij tactisch onderricht van de Koninklijke Marine na de Tweede Wereldoorlog. Dit kwam met name voor op de Onderzeebootbestrijdingsschool aan boord van Hr.Ms. Zeearend in Den Helder. In één van de leslokalen werden principes van havenbeveiliging met behulp van modelletjes en een havenmaquette behandeld. Ook bij de vakken konvooiering en tactische onderzeebootbestrijding werden miniwaterlijnmodellen gebruikt. Dergelijk tactisch onderricht was beperkt, maar war gaming in het groot is een dure bezigheid, niet zozeer door de aan te schaffen middelen als wel door de hoeveelheid te verwerken data en de daaruit voortvloeiende lange duur van het spel. Na de oorlog werd steeds meer beroep gedaan op computers om de enorme hoeveelheden gegevens snel door te rekenen. Tegenwoordig zijn er tactische en strategische computerspelen en wordt war gaming met modelletjes alleen nog in amateur-kringen gespeeld.

 

Jane en de waterlijn

De behoefte aan visuele informatie van schepen was in de tweede helft van de negentiende eeuw aanzienlijk toegenomen. Met de komst van stoomvoortstuwing, ijzer, pantsering en nieuw geschut werd namelijk steeds verder afgeweken van het uniforme uiterlijk der zeiloorlogsschepen. De boeken van J.F. Von Kronenfels Das schwimmende Flottenmaterial der Seemächte van 1881, gevolgd door Die Kriegsschiffbauten 1881-1882 in 1883, werden toonaangevend. De belangrijkste schepen der grote zeemachten zijn hierin in een eenvoudig zijaanzicht weergegeven, waarop details als geschutskoepels, rudimentaire tuigage en de pantsergordel. Deze weergave werd overgenomen door Thomas Brassey in Groot-Brittanië in zijn The British Navy van 1882 en later zijn jaarboek The Naval Annual, dat vanaf 1886 verscheen. Vooralsnog werd geen vaste schaal gehanteerd en werd de gehele romp der schepen afgebeeld.

Fred T. Jane was, voor zo ver kan worden nagegaan, met zijn All the World’s Fighting Ships  de eerste die zich concentreerde op het silhouet vanaf de waterlijn. In de eerste uitgave van 1898 werden de schepen varend afgebeeld met speciale nadruk op hun meest speciale  kenmerken ; achterin bevonden zich overzichten met piepkleine silhouetjes. Het voornaamste doel was scheepsherkenning en de boeken werden aan boord van oorlogsschepen meegegeven. Jane’s Fighting Ships groeide uit tot de belangrijkste periodieke publicatie op dit terrein. Naast de typische zwarte silhouetjes, die zich in de daaropvolgende jaren tot de standaard schaal 160 feet : 1 inch (= 1:1920) ontwikkelden, maakte Jane in toenemende mate gebruik van foto’s om het schip ook vanuit andere gezichtshoeken te tonen. De behoefte om schepen vanuit verschillende gezichtshoeken te kunnen herkennen werd een belangrijke beweegreden voor het gebruik van scheepsmodellen bij militaire training in ‘ship recognition’.

 

Schaal 1:1200: Bassett-Lowke en recognition

Bassett-Lowke in Northampton was een bedrijf dat schaalmodellen en onderdelen voor modelbouwers leverde. Eén van de werknemers in het Londense filiaal, Edward J. Hobbs, had een speciale interesse in scheepsmodellen en ontwierp in 1908 voor Basset-Lowke een serie waterlijnmodellen op een schaal van 100 voet op de duim, wat omgerekend in het metrische stelsel 1:1200 oplevert. Deze modellen waren van hout en met de hand vervaardigd en daarom nogal kostbaar. Na verloop van tijd ging Bassett-Lowke ook over op de productie van gegoten metalen modellen op een kleinere schaal (1:1800).

Ondertussen overwoog de Britse marine het gebruik van miniatuur scheepsmodellen voor training en scheepsherkenning. Driedimensionale modellen boden het voordeel dat het scheepssilhouet onder elke hoek bekeken kon worden. In 1911 benaderde de Britse admiraliteit het Northamptonse bedrijf met een grote order voor 1:1200 modellen. In de jaren tussen 1911 en 1919 zou Bassett-Lowke aan de Britse marine enkele duizenden ‘recognition-models’ leveren. Ook werden modellen gebruikt op de plottafels in diverse hoofdkwartieren, waarop de posities der schepen in een oogopslag waar te nemen waren.

Bassett-Lowke leverde al langer instructiemodellen aan de Britse marine en was bovendien nauw betrokken bij het promoten van de Britse zeemacht. Zo toonde de firma in 1913 op de Imperial Services Exhibition te Earls Court in Londen grote modellen van Britse oorlogsschepen, waarvan er zelfs enkele varend in de vijver werden gedemonstreerd. Op deze tentoonstelling werden ook voor het eerst miniwaterlijnmodellen gepresenteerd in een diorama, dat veel succes had bij het publiek. Bassett-Lowke maakte ook van andere tentoonstellingen gebruik om zijn aanbod bij het grote publiek onder de aandacht te brengen. In de oorlogstijd werd Bassett-Lowke door de Britse regering wel een verbod opgelegd om modellen van Britse oorlogsschepen op de markt te brengen.

Na 1919 liep de productie van oorlogsscheepsmodellen aanzienlijk terug. De modellen van oorlogsschepen in de jaren twintig en dertig werden vervaardigd op basis van gegevens uit Jane’s Fighting Ships. Daarnaast vond de modelfirma een nieuwe markt bij de grote scheepvaartlijnen zoals Cunard en de Compagnie Générale Transatlantique, die modelletjes van hun vloot als souvenirs aan boord van hun schepen verkochten. De groeiende vraag dwong Bassett-Lowke in toenemende mate de productie uit besteden aan andere modelbouwateliers.

 

Schaal 1:1250: Wiking

Terwijl Bassett-Lowke met 1:1200 en 1:1800 in Groot-Britannië de standaard zette, werden er in andere landen door speelgoedfabrikanten ook modellen gefabriceerd. Voor het Europese continent lagen metrische schalen meer voor de hand, zoals 1:1000 of 1:1500, tot zelfs 1:3000.

Friedrich Karl Peltzer (1903-1981) uit Kiel kwam uit een marinefamilie en had zich van jongs af aan met modelbouw bezig gehouden. Door de economische crisis van de jaren twintig was hij genoodzaakt een biologiestudie af te breken en daarna richtte hij zich op de vervaardiging van miniwaterlijnmodellen. Zijn Deense vriend Henning Corsten had in 1931 of 1932 het merk Pilot opgericht en in 1932 volgde Peltzer in Duitsland met het merk Wiking. In het begin van de jaren dertig experimenteerden de vrienden met verschillende schalen en met het gieten van modellen.

Tot ongeveer 1938 hanteerde Peltzer de schaal 1:1275, waarna hij overstapte op 1:1250. Deze schaal was comfortabel en lag dicht bij de Britse standaard van Bassett-Lowke, wat voor verzamelaars interessant was. In deze tijd heeft Wiking zelfs korte tijd met Basset-Lowke enige samenwerking gekend. Corsten nam ook de schaal 1:1250 over, maar bleef daarnaast modellen in andere metrische schalen leveren, met name 1:1000. Behalve de schaal, die de continentale standaard voor miniwaterlijnmodellen werd, waren Wiking en Pilot vooral belangrijk om hun geavanceerde giettechniek. De eerst gietmodellen, de zogenaamde ‘Einstiegmodelle’, waren wat grover en niet altijd maatvast. Na verloop van tijd echter was Wiking in staat zeer mooi afgewerkte modellen te leveren. Van een houten model werd een gipsafdruk gemaakt, waarvan in de Berliner Kunstgiesserei een bronzen moedermodel werd gemaakt. Van dit model werd dan weer een gietijzeren mal gemaakt, waarbij het bronzen model verloren ging. De Pilot-modellen van voor de oorlog waren minder fraai door grovere gietmallen, lompere detaillering en minder realistische schildering. Ze hadden meer een ‘speelgoeduiterlijk’ dan Wiking.

 

In de jaren 1936-1940 groeide Wiking uit tot een bedrijf met zo`n 250 man in dienst. Vanaf ca. 1938 stond Wiking onder ‘Reichsprotektorat’ en genoot een groeiende belangstelling van de Duitse marine en luchtmacht, die ‘Erkennungsmodelle’ voor de opleiding van marinepersoneel en vliegers nodig hadden. Hitler kreeg op zijn negenenveertigste verjaardag van zijn adjudant de gehele Duitse vloot in verzilverde uitvoering aangeboden en een foto waarop hij zich met kinderlijk plezier over de modellen heen buigt, werd in reclamefolders gebruikt. Verder verspreidde Peltzer zijn modellen via speelgoedwinkels en via beurzen en uiteindelijk kon hij een eigen winkelketen opbouwen. In Amsterdam, Rotterdam, Haarlem en Eindhoven waren er voor de oorlog zelfs Wikingwinkels. Rederijen bestelden bij hem speciale modellen van hun schepen, zoals de Koninklijke Paketvaart Maatschappij te Amsterdam en de Java-China-Japan Lijn te Batavia, welke laatste achthonderd modellen van de Tjitalengka in schaal 1:800 afnam. Behalve scheepsmodellen leverde Wiking ook vliegtuigmodellen en haveninstallaties.

Behalve Bassett-Lowke en Wiking nam een toenemend aantal bedrijven tussen de twee wereldoorlogen de productie van miniwaterlijnmodellen ter hand. In de Angelsaksische wereld gaf men de voorkeur aan schaal 1:1200, terwijl 1:1250 de Europese standaard werd. In Italië en Spanje echter werd in de Angelsaksische schaal gebouwd, terwijl het Franse Mignot schaal 1:1820 hanteerde. De meeste van deze bedrijven waren speelgoedfabrikanten, zoals Dinky Toys. De schaalvoering was vaak niet exact en de detaillering liet te wensen over. Dinky Toys, dat in 1934 met modellen van overigens aardige kwaliteit kwam, gebruikte een special legering, zamak, dat achteraf echter onstabiel bleek en waardoor slechts weinig modellen de tand des tijds hebben doorstaan. Hoewel er een groeiende interesse van zowel kinderen als serieuze verzamelaars ontstond, kwam de productie aan het begin van de Tweede Wereldoorlog tot stilstand door de schaarste aan metalen.

 

Militair gebruik tijdens en na de Tweede Wereldoorlog

 

Het belang van de miniwaterlijnmodellen voor krijgsdoeleinden nam met de oorlogsdreiging in de jaren dertig toe. Van Bassett-Lowke werd in de jaren 1939-1946 de gehele capaciteit opgeslokt door de Britse marine en luchtmacht voor scheepsherkenningsdoeleinden. De houten modelletjes die in deze periode werden gebruikt op schaal 1:1200 en 1:600 (50 feet : 1 inch) waren van zeer hoge kwaliteit. De Royal Navy gebruikte de modellen op alle opleidingen en tactische scholen, maar ook bij gespecialiseerde afdelingen zoals scheepscamouflage en aan boord van de grotere schepen. Naast Bassett-Lowke werden nog tientallen bedrijfjes door de admiraliteit ingeschakeld voor de productie van ‘recognition models’. De productie gebeurde onder toezicht van de marine en de modellen waren niet voor de markt bedoeld. Bij wijzigingen aan de schepen werden nieuwe modellen besteld. Eén van de weinige speelgoedfabrikanten die gegoten metalen modellen aan de Britse marine leverde was Tremo (Treforest Mouldings Ltd.) in Wales, die schepen van bijna alle zeemachten ter wereld in zijn assortiment had.

Na de Tweede Wereldoorlog liep de productie van recognition-models weer sterk terug. Duizenden modellen werden door de Britse krijgsmacht afgestoten en vonden hun weg naar de markt. Ondanks de overstap naar modernere leermiddelen werden nog steeds recognition models gemaakt, die de Britse krijgsmacht dan weer verkocht als het schip uit de vaart ging; hieronder bevonden zich ‘rarities such as ships of the Swedish and Netherlands navies’.

De Wiking-productie ging in de oorlog geheel naar de Duitse krijgsmacht; voor de markt werd haast niet meer geproduceerd. De ‘Erkennungsmodelle’ werden in kunststof uitgevoerd; voor de ‘Wochenschauen’ en de ‘Erkennungsdienst’ werden zelfs films gemaakt met behulp van Wikingmodelle. Peltzer werd bij de Kriegsmarine ingedeeld en onder meer gestationeerd in het IJsselmeerflottielje aan boord van de Dornbusch. Modellenverzamelaar C.F. Kooger maakte in de oorlog mee dat de kapitein van de Dornbusch in Hoorn aan kinderen modelletjes uitdeelde. Deze kunststoffen modellen waren waarschijnlijk afgekeurde gietsels van de oorlogsproductie van Wiking. In Amsterdam richtte Peltzer een zusterbedrijf op, ‘Pelzer & Vogel Wiking scheepsmodellen’, van waaruit de Duitse legeronderdelen in België en Frankrijk werden voorzien. Op een viertal binnenvaartschepen werden ateliers ondergebracht, zodat zij beweeglijk en dus minder kwetsbaar voor bombardementen waren – één van de schepen ging desondanks op het IJsselmeer verloren. In een bunker aan de kust had Peltzer een verzameling mallen en een voorraad metalen modellen opgeslagen – deze werden door de heren A. Buis (medeoprichter van DSCC) en G.J van Nimwegen aan het eind van de oorlog voor een habbekrats opgekocht. Na de oorlog keerde Peltzer terug naar Duitsland, waar hij vanaf 1947-1948 de productie van Wiking-modellen weer ter hand nam.

In de Verenigde Staten wist Comet haast de gehele toelevering aan de US Navy en Air Force naar zich toe te trekken. Dit in 1919 opgerichte bedrijf had in 1935 een eigen giettechniek ontwikkeld en nam in 1940 de productie van speelgoedsoldaatjes en miniwaterlijnmodellen ter hand. Het mikte daarmee onder andere op de Britse markt, waar de schaarste van metalen de productie had stilgelegd. Met vooruitziende blik werden vanaf het begin ook modellen als didactisch materiaal aan de Amerikaanse krijgsmacht aangeboden. Toen de Verenigde Staten in de oorlog betrokken raakten, werd Comet direct benaderd voor de levering van vijftigduizend modellen schaal 1:1200. Tegen het eind van de oorlog moet Comet haast honderdduizend stuks hebben gemaakt. Uit Comet kwam het beroemde merk Authenticast voort.

 

De Index to All Japanese Naval Vessels van het Amerikaanse Office of Naval Intelligence is een voorbeeld van het militair gebruik van waterlijnmodellen. Dit ‘recognition manual’ bevat een groot aantal foto’s van scheepsmodellen onder verschillende hoeken. Ook de Nederlandse autoriteiten gaven herkenningsmanuals uit, zoals de Silhouetten van schepen of scheepstypen, welke op korten termijn in de Ned. Indische wateren verwacht kunnen worden. Schepen moesten niet alleen vanaf de brug van het eigen schip te herkennen zijn, maar werden vooral ook vanuit de lucht verkend: in de Zakboekjes voor vliegeniers en waarnemers waren derhalve ook scheepssilhouetten opgenomen. Voor deze Nederlandse Zakboekjes werden echter geen modellen gebruikt. De Silhouetten tabel, ten behoeve van afstand en afwijkingshoek uit 1939 daarentegen kan haast niet anders dan met gebruik van modellen zijn gemaakt, omdat de silhouetten (schaal 1:1500 en 1:900) in verschillende hoeken zijn weergegeven. Dat deze ‘zeer geheime’ uitgave alleen Japanse schepen bevat, geeft aan dat men in 1939 al wist van welke kant het gevaar dreigde.

Dit laatste handboek geeft ook weer een ander praktisch gebruik van de modellen aan, namelijk ten behoeve van vuurleiding en artillerie-opleiding. Voor een voorbeeld van artillerie-oefening waarbij miniwaterlijnmodellen werden gebruikt, keren we terug naar de Onderzeebootbestrijdingsschool aan boord van Hr.Ms. Zeearend na de oorlog. Daar werd in 1954 de zogenaamde ‘torpedo attack teacher’ of ‘torpedo aanval tafel’ (TORPAT) van de Onderzeedienst in gebruik genomen. Met dit samenstel van periscoop, plottafel, vuurleiding en draaitafel waarop miniwaterlijnmodellen als doelscheepjes fungeerden, werden cursisten geoefend in torpedoaanvallen. De modellen werden vervaardigd door een ex-geschutmaker van de Koninklijke Marine, die ook de modellen voor de havenbeveiligingsmaquette verzorgde. Voor het konvooieringsonderricht werden modellen bij een civiele leverancier aangekocht.

Visuele herkenning blijft tot de dag van vandaag een belangrijk opleidingsonderdeel bij de Koninklijke Marine. Silhouetherkenning blijft deel uitmaken van de lessen, maar in plaats van modellen wordt tegenwoordig gebruik gemaakt van dia’s en computerbeelden.

 

De reclamecampagnes van Bassett-Lowke en Wiking (en andere merken) tussen de twee wereldoorlogen zijn niet zonder effect geweest. Als men de enthousiaste jeugdherinneringen van menig verzamelaar mag geloven, maakten miniwaterlijnmodellen een onuitwisbare indruk. Hoewel nog relatief duur (zelfs vóór de oorlog kon een Wiking model al gauw zo’n twee en een halve gulden kosten), lag de aanschaf ervan binnen het bereik van velen. Door de oogstrelende uitvoering liet menigeen zich verleiden tot wat Rudy Kousbroek wel eens het ‘poppenhuissyndroom’ heeft genoemd, de ‘algemene menselijke neiging om gereduceerde versies van de ons omringende werkelijkheid te maken, en om in de aanblik daarvan tevredenheid te scheppen’.

Om aan de groeiende vraag te voldoen, rezen na de oorlog tientallen modelbouwbedrijven uit de grond. Deze varieerden van grote speelgoedfabrikanten tot éénmansateliers. Voor de minder gefortuneerden kwamen er ook papieren bouwplaatjes in de schaal 1:1250 op de markt, waarmee verbluffend aantrekkelijke modelletjes konden worden gebouwd. Plastic deed zijn intrede, al gaven velen aanvankelijk nog de voorkeur aan de ‘echte’ metalen gietsels. Met name in Duitsland nam de productie in de jaren zestig en zeventig een hoge vlucht en de grote keuze, betere detaillering en naar verhouding schappelijke prijs droegen bij aan de ‘democratisering’ van het minischip. Het Duitse tijdschrift de Hamburger Rundbrief (sinds 1970) werd het lijfblad van de verzamelaar. Het overwegend militaire karakter van vóór de oorlog werd intussen steeds meer overvleugeld door de koopvaardij.

Begin jaren zeventig waren er maar een paar verkooppunten van miniwaterlijnmodellen in Nederland, waarvan Wim Schoenmakers’ winkel in technisch speelgoed in Den Haag de belangrijkste was. Uit deze periode dateren de eerste Nederlandse pogingen voor de productie van Nederlandse gietmodellen, met name de serie ‘Bersod’ van R.M.C. Bergamin en H. Sodenkamp. Latere Nederlandse merken waren ‘Noordzee’ en ‘Doezema’, merken van uitzonderlijke kwaliteit, waardoor de mooiste en interessantste Nederlandse schepen uit verleden en heden bij verzamelaars in het buitenland – met name Duitsland en de Verenigde Staten – een groeiende belangstelling genieten.